Op veel middelbare scholen in Nederland is bidden tijdens pauzes of tussenuren verboden. Dit blijkt uit een onderzoek van NOS, waarbij leerlingen van meer dan 180 scholen hebben aangegeven dat zij beperkt worden in de mogelijkheid om te bidden. Of een leerling nu christelijk, islamitisch of joods is, het bidden wordt voor hen bemoeilijkt en in sommige gevallen zelfs bestraft. Wat voor gevolgen heeft dit voor scholieren die willen bidden op school en is een dergelijk schoolbeleid in strijd met de wet?
Noodzakelijke gebeden
Volgens cijfers van het CBS is circa 35% van de jongeren religieus. Voor hen is bidden niet zomaar een gewoonte, maar een essentieel onderdeel van hun identiteit. Wanneer scholen het bidden op school verbieden, voelen deze leerlingen zich buitengesloten en belast. Vooral moslimleerlingen ondervinden hierdoor problemen, omdat hun geloof vijf vaste gebedsmomenten per dag voorschrijft. Dit houdt in dat sommige gebeden onder schooltijd vallen. Om die reden proberen leerlingen tijdens de pauze of het tussenuur het gebed snel te verrichten. Ook christelijke en joodse leerlingen ervaren hinder door een bidverbod. Zo vertelt een christelijke leerling dat zij werd aangesproken omdat zij in de kantine aan het bidden was. De school beschouwde haar gebed als het opleggen van haar geloof aan anderen, wat resulteerde in een vierkant rooster voor twee dagen.
Op sommige middelbare scholen is bidden dus niet alleen gestigmatiseerd, maar worden er ook strenge disciplinaire maatregelen genomen wanneer scholieren worden ‘betrapt’. Dit dwingt leerlingen die hun geloof serieus praktiseren om alternatieve en creatieve manieren te vinden om hun gebed te verrichten. Soms betekent dit dat zij zich gedwongen voelen stiekem op school te bidden. In andere gevallen voelen scholieren zich genoodzaakt om buiten, bijvoorbeeld in de fietsenstalling of parkeergarage, te bidden om straf of negatieve reacties te vermijden.
Op gespannen voet met de wet
Artikel 6 van de Grondwet geeft eenieder in Nederland het recht om zijn godsdienst of levensovertuiging vrij te belijden, mits het de openbare orde niet verstoort. Dit houdt in dat overheidsinstanties, waaronder openbare scholen, individuele geloofsbeleving niet zonder meer mogen beperken. Het College voor de Rechten van de Mens stelt derhalve dat scholen niet verplicht zijn om een speciale gebedsruimte te faciliteren, maar dat zij bidden ook niet zomaar mogen verbieden. Op openbare scholen is een algeheel verbod dan ook in strijd met de wet. Bij bijzonder onderwijs, zoals christelijke of islamitische scholen, ligt dit genuanceerder. Deze instellingen mogen religieuze gebruiken beperken als ze in strijd zijn met de betreffende geloofsovertuiging, mits zij dit goed kunnen onderbouwen.
Een tegengeluid
Het Landelijk Aktie Komitee Scholieren reageert fel op de berichten over gebedsverboden en noemt het ‘een onacceptabele schending van de vrijheid van godsdienst’. Voorzitter Puk Donken benadrukt dat het onderwijs een plek moet zijn waar alle leerlingen zichzelf kunnen zijn. Zij stelt dat in een samenleving waarin diversiteit de norm is, dergelijke verboden niet passen. Dit beperkt namelijk de rechten van jongeren die de behoefte hebben hun geloof te belijden. Ook PerspectieF, de jongerenorganisatie van de ChristenUnie, sluit zich aan bij de kritiek en roept de politiek op om in te grijpen. De organisatie pleit voor Kamervragen aan minister Eppo Bruins van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om te onderzoeken of scholen voldoende ruimte bieden voor geloofsbeleving.
Ondertussen nemen sommige leerlingen zelf ook actie. Op het Stanislascollege Westplantsoen in Delft boden studenten een petitie aan bij de directie, waarin zij vroegen om een stilteruimte. De school gaf aan hier geen faciliteiten voor te hebben, maar stelde dat ‘leerlingen altijd de ogen kunnen sluiten om aan God te denken’. Daarmee wordt voorbijgegaan aan het feit dat geloofsbeleving voor veel leerlingen een actieve praktijk is die verder gaat dan alleen innerlijke bezinning. Het blijft immers van belang dat leerlingen ruimte krijgen om hun geloof te beoefenen en niet belemmerd of bestraft worden in het uiten van hun overtuiging. De uitdaging blijft om een schoolomgeving te creëren waar respect voor diverse geloven en saamhorigheid in harmonie met elkaar staan.